9 * rechtsvermoedens-bij-de-bestuursrechter-en-de-onschuldpresumptie Rechtsvermoedens bij de bestuursrechter en de onschuldpresumptie

Rechtsvermoedens bij de bestuursrechter en de onschuldpresumptie

Recent deed de Afdeling uitspraak over een opgelegde bestuurlijke boete wegens onttrekking van een woning zonder vergunning. In het beoordeelde geval ging het om een woning waarin prostituees werkzaam waren, zo was bij een controlebezoek geconstateerd. Aanvankelijk meende de gemeente Den Haag dat daartoe bedrijfsmatig gelegenheid werd geboden maar in bezwaar werd dat niet gehandhaafd. Dat halveerde de boete. In casu had appellant, huurder, de woning aan zijn (ex) schoonzoon in gebruik gegeven en bestreed hij de overtreding.

 

In hoger beroep stelde appellant dat de bewijslast van de overtreding echter bij de gemeente diende te liggen. Zulks op grond van de onschuldpresumptie van artikel 6 EVRM. Dat deed en wees de Afdeling af met een standaardoverweging onder verwijzing naar een tweetal uitspraken van het Europese hof van de rechten van de mens (EHRM):  "dat het niet in strijd met de in artikel 6, tweede lid, van het EVRM neergelegde onschuldpresumptie is indien een wettelijke regeling uitgaat van verwijtbaarheid, doch die veronderstelling weerlegbaar is en met de betrokken belangen van de overtreder rekening wordt gehouden." Dat moet leiden tot een tweetal opmerkingen. 

 

Allereerst betekenen de uitspraken van het EHRM dat sprake moet zijn van een rechtsvermoeden in een wettelijke regeling. Een besluit van toezichthouders met halve bewijzen en vermoedens, dat weerlegd kan worden, voldoet daaraan niet. In het door de Afdeling beoordeelde geval blijkt deze belangrijke nuance voor de uitkomst niet. Relevante rechtsvermoedens kent de betreffende wettelijke regeling (Huisvestingswet/Huisvestingsverordening) echter niet.

 

Daarnaast heeft de rechtspraak van het EHRM betrekking op fiscale delicten. Dat betreft regelgeving, aldus de motivering van het EHRM daarbij, met een specifiek financieel overheidsbelang; regelgeving bovendien die naar haar aard (zeer) brede toepassing vindt en die bovendien primair gebaseerd is op gegevensverstrekking door de burger. Dat lijkt zonder nadere motivering dus in de weg te staan aan toepassing buiten fiscale kwesties.