13 * huurrecht--recente-rechtspraak Huurrecht – recente rechtspraak

Huurrecht – recente rechtspraak

Vormen windturbines een inbreuk op het huurgenot van een huurder? Dat betoogde themapark Delta Park Neeltje Jans in een procedure tegen de Staat. Meer bijzonder wil de Neeltje Jans verhinderen dat de Staat toestemming zou geven voor windturbines naast haar themapark. De rotors van die turbines zouden tot 175 meter hoog komen; onbetwist bijna net zo hoog als de Euromast. Dat zou dan volgens Neeltje Jans tot hinder in de vorm van geluid, trillingen en slagschaduwvorming leiden waardoor bezoekers afgeschrikt zullen worden.

Ook zouden zo’n 250 vogels per jaar door de wieken dood uit de lucht geslagen worden met “mogelijke traumatische ervaringen bij kinderen”. Dat laatste betwijfelde de Staat: “de vogels zullen niet alle overlijden op een voor kinderen zichtbare plaats en bovendien kunnen maatregelen getroffen worden om overleden vogels snel te verwijderen.”.  De slagschaduwen achtte de rechter in Den Haag evenmin ernstig genoeg; die waren tijdelijk van aard vanwege het “meebewegen met de rotatie van de zon”. Die tijdelijkheid gold ook voor gevaarzetting door ijsvorming onder bepaalde weersomstandigheden. Als partijen voor die situatie geen afspraken over het stilzetten konden maken, “dan riskeert de exploitant aansprakelijkheidsstellingen van de zijde van Neeltje Jans”. Risico opgelost derhalve. Van trillingen voor gevoelige bruinvissen, voor welke vissen Neeltje Jans van plan was een verblijf te bouwen, was ook geen sprake: “De Staat heeft daar echter tegenover gesteld dat de turbines zeer solide in de grond verankerd zullen worden.”.

Toch trok Neeltje Jans voor een tweetal windtubines aan het langste eind: die draaiden mee met de wind met als gevolg dat de wieken boven het terrein van Neeltje Jans en dus ook boven de hoofden van de bezoekers zouden draaien. Dat was voor de rechter een te ernstige inbreuk op het huurgenot van Neeltje Jans. Om die reden was de Staat gehouden tot verwijdering van deze windturbines.

Dan kwam in de rechtspraak aan de orde of een verhuurder met behulp van een aangebrachte camera mag aantonen dat een huurder het gehuurde oneigenlijk gebruikt. Verhuurder (een juwelier) verhuurde aan huurder (een kunsttaxateur) een bovenwoning. Verhuurder meende dat huurder de woning niet zelf bewoonde maar aan anderen in gebruik heeft gegeven. Huurder stelde echter veel in het buitenland te zijn, voor zijn (zieke?) broer te zorgen en daarnaast ook vaak bij een vriendin elders te slapen.

Om klaarheid te krijgen liet verhuurder gedurende 164 dagen een onderzoeksbureau een camera in het trappenhuis voor de voordeur van huurder ophangen. Daaruit bleek dat huurder in die periode in het totaal 18 uur en 46 minuten in de woning was geweest zonder enige overnachting. Wel hadden 19 gasten één of meer nachten in de woning overnacht. Dat die gasten veelal familie waren en ook “een kantoorgenoot van zijn gemachtigde” maakt de ernst van de tekortkoming niet minder. Ontruiming achtte de kantonrechter daarmee terecht.

Tenslotte de vraag of het gebruik van de camera onrechtmatig was? Dat was het geval vanwege het feit dat de camera ook in de woning door een geopende voordeur had kunnen filmen. Maar “het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt” moest zwaarder wegen, aldus de kantonrechter, omdat huurder geen andere (bijkomende) feiten en omstandigheden had aangevoerd dan eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.