12 * over-de-plicht-tot-dooronderhandelen Over de plicht tot dooronderhandelen.

Over de plicht tot dooronderhandelen.

Ook al is een overeenkomst niet getekend, soms mag een partij onderhandelingen daarover niet meer afbreken. In 2005 heeft de Hoge Raad de mogelijkheid om af te breken echter als principieel uitgangspunt genomen:  

dat ieder van de onderhandelende partijen - die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen - vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het totstandkomen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, terwijl, in het geval onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over een lange tijd worden voortgezet, wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend is hoe daaromtrent ten slotte op het moment van afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen.”. Voor de duidelijkheid geeft de Hoge Raad vervolgens ook aan wat het karakter van deze geformuleerde regel is: “een strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf”.

Recent is een uitspraak van het hof in Den Bosch verschenen die een illustratieve toepassing vormt van deze regel van de Hoge Raad. Kort gezegd, ging het om gesprekken tussen een uitvaartondernemer en de gemeente Maastricht over een nieuw crematorium. Na jaren praten werd volgens de uitvaarondernemer “plotsklaps de stekker uit het project getrokken”. De gemeente achtte vanwege aangescherpte regelgeving een aanbesteding noodzakelijk. Deze stellingen terzijde gelaten, zijn twee gezichtspunten van het hof vermeldenswaardig:

Het enkele feit dat partijen gedurende een langere periode gesprekken over samenwerking hebben gevoerd/onderhandeld hebben, leidt niet eerder tot het oordeel dat gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan in de totstandkoming van een overeenkomst. Zo’n langere periode kan evenzeer een contra-indicatie voor het aannemen van een zodanig vertrouwen opleveren, omdat het alsmaar uitblijven van de totstandkoming van de overeenkomst een aanwijzing kan zijn dat die totstandkoming nog (lang) geen “gelopen race” is.”. Als na lang praten echter zonder tekst en uitleg de stekker er uit wordt getrokken kan dat wel onrechtmatig zijn volgens het hof Leeuwarden.

Tweede gezichtpunt van het Bossche hof is dat lang praten met een ambtenaar ook geen verwachtingen kan scheppen: “(appellant) mag bovendien bekend  worden verondersteld met het in de Gemeentewet verankerde stelsel van de bevoegdheidsverdeling tussen het college en de raad en met het feit dat de gemeente in beginsel pas gebonden is na instemming van de raad in gevallen waarin de raad een formele positie in het besluitvormingsproces inneemt.”.

Overigens kunnen deze gezichtspunten ook anders uitpakken, zo blijkt uit een eerdere uitspraak van de Rotterdamse kort gedingrechter waarin de bevoegdhedenverdeling geen rol speelde omdat de eisende partij een gemeente was. Wanneer geen sprake is van een gemeente als betrokken partij, staat een publiekrechtelijke bevoegdhedenverdeling in ieder geval niet in de weg aan een gerechtvaardigd vertrouwen. Evenmin als partijen slechts nog verschillen over de details van een overeenkomst; zie voor een recent voorbeeld de rechtbank in Utrecht.

Tenslotte: het mooiste verweer tegen de stelling dat onderhandelingen onrechtmatig zijn afgebroken is uiteraard dat die onderhandelingen nog helemaal niet waren begonnen. Dat slaagde niet zo lang geleden bij het hof Den Bosch.